'J.F. Metzelaar en W.C. Metzelaar. Bouwmeesters voor Justitie' documenteert het omvangrijke oeuvre van vader en zoon Metzelaar, die decennialang bepalend waren voor de Nederlandse justitiearchitectuur.
Van de koepelgevangenissen in Arnhem, Breda en Haarlem tot gerechtsgebouwen, tuchtscholen en Veenhuizen: hun gebouwen weerspiegelen veranderende ideeën over rechtspraak, detentie, toezicht en opvoeding.
'J.F. Metzelaar en W.C. Metzelaar. Bouwmeesters voor Justitie' documenteert het werk van Johan Frederik Metzelaar (1818–1897) en zijn zoon Willem Cornelis Metzelaar (1848–1918), twee architecten die in de tweede helft van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw een belangrijk stempel drukten op de Nederlandse justitiearchitectuur.
J.F. Metzelaar begon zijn loopbaan als timmerman en particulier architect en werd in 1870 benoemd tot ingenieur-architect voor de gevangenissen bij het Ministerie van Justitie. Zijn zoon W.C. Metzelaar, opgeleid aan de Polytechnische School in Delft, zette deze praktijk voort. Samen ontwierpen zij een omvangrijk oeuvre van gevangenissen, huizen van bewaring, gerechtsgebouwen en andere justitiële instellingen verspreid over Nederland.
Tot hun bekendste werken behoren de koepelgevangenissen in Arnhem, Breda en Haarlem. Het panoptische gevangenistype maakte centraal toezicht mogelijk en verbond nieuwe ideeën over detentie en controle met innovatieve constructieve en technische oplossingen. Daarnaast ontwierpen de Metzelaars gerechtsgebouwen in onder meer Tiel, ’s-Hertogenbosch en Rotterdam en waren zij verantwoordelijk voor een belangrijk deel van de uitbreiding van Veenhuizen, de voormalige landbouwkolonie die later werd ingericht als justitiedorp.
Ook minder bekende gebouwtypen komen uitgebreid aan bod, waaronder de door W.C. Metzelaar ontworpen rijksopvoedingsgestichten en tuchtscholen voor jeugdigen. Juist deze brede productie laat zien hoe architectuur werd ingezet om veranderende opvattingen over straf, toezicht, rechtspraak en opvoeding ruimtelijk te organiseren.
Ros Floor plaatst de gebouwen tegen de achtergrond van de levens en loopbanen van beide architecten en documenteert hun omvangrijke oeuvre aan de hand van historische foto's, tekeningen en archiefmateriaal. Naast de biografische en architectuurhistorische hoofdstukken bevat het boek een uitgebreide oeuvrelijst, bibliografie en register en vormt het daarmee ook een waardevol naslagwerk over de Nederlandse institutionele architectuur van de negentiende en vroege twintigste eeuw.