Extra informatie

Ad Van Der Steur (1893 - 1953).

Dubbelklik op de afbeelding voor groot formaat

Uitzoomen
Inzoomen

€ 25,00

Nog 1 exemplaar beschikbaar!

Ad Van Der Steur (1893 - 1953).

zorgvuldig en met kleine stapjes vooruit - architect tussen traditie en vernieuwing

Auteur:Albert Gielen

Uitgever:Stichting Bonas

ISBN: 978-9076643137

  • Paperback
  • Nederlands
  • 172 pagina's
  • 5 sep. 2002

Grote, monumentale gebouwen kenmerken het werk van Ad van der Steur (1893-1953). Tot zijn oeuvre behoren stations, scholen, ziekenhuizen, kantoorgebouwen en elektriciteitscentrales, maar ook het museum Boymans-Van Beuningen. Van der Steur, een van de meest productieve architecten van het Interbellum en de vroege Wederopbouw, was een meester in het inpassen van dit genre gebouwen in het stedelijk weefsel. Van der Steur werkte in een periode dat de architectuur gekenmerkt werd door turbulente ontwikkelingen en discussies. Een radicale groep vernieuwers pleitte ervoor af te zien van esthetische overwegingen en de bouwopgave als rationeel vraagstuk op te lossen. Anderen meenden dat traditie inherent was aan de bouwkunst en dat men architectonische archetypes niet zomaar los kon laten. Van der Steur wist aan deze tegenstelling te ontkomen door een andere benadering te kiezen. Zijn uitgangspunt was de onverbrekelijke eenheid van stedenbouw en architectuur. Het ging hem in de eerste plaats om een samenhangende en begrijpelijke omgeving, zowel binnen- als buitenshuis. Hij zag die omgeving als een coulissenlandschap, doorsneden door vergezichten en doorkijkjes, waarin de ontwerper door een goede afwisseling van harmonieÎn en tegenstellingen visueel aantrekkelijke beelden moest componeren. Van der Steur hanteerde hierbij een soort `praktische esthetiek’, die zich kenmerkte door de zorgvuldige geleding van grotere en kleinere bouwdelen, waarmee een gebouw zich in zijn omgeving moest voegen, een ondogmatische vermenging van traditionele en moderne vormelementen en een markante detaillering, m.n. in de vensters, die vaak ware voorbeelden van `timmermansbeeldhouwwerk’ zijn.


Van der Steur werkte vooral in Rotterdam, waar hij zich van architect in gemeentedienst tot stadsbouwmeester ontwikkelde en vervolgens een eigen bureau begon. De vele schoolgebouwen die hij in Rotterdam-Zuid bouwde, zijn steeds zorgvuldig vanuit de schaal van de omgeving naar een hoger schaalniveau opgebouwd en vormen een net van herkenningspunten in de wijken. Hetzelfde geldt voor het GEB-gebouw, destijds een van de hoogste van Rotterdam. De Art Deco ventilatiegebouwen en garages van het Maastunnelcomplex vormen opvallende sieraden temidden van het weg- en waterverkeer. Als esthetisch adviseur bij dit complex raakte Van der Steur overtuigd van de noodzaak van een tijdige integratie van technische en esthetische overwegingen. In Van der Steurs bureau zouden architecten samenwerken met civieltechnici en weg- en waterbouwkundigen. Na de Tweede Wereldoorlog zocht hij naar vormen die bij de nieuwe tijd pasten: hij het ontwerp voor de Rotterdamse Westland-Utrecht hypotheekbank bleef het betonskelet in zicht. Om voeling met de tijd te houden kregen jonge architecten veel armslag op zijn bureau, dat tot een van de grootste van Nederland uit zou groeien. In de gebouwen van Van der Steurs zelfgekozen opvolger A. Bodon is tot in de jaren ’80 de integratie van architectuur en techniek te zien, die Van der Steur zo na aan het hart lag.

Grote, monumentale gebouwen kenmerken het werk van Ad van der Steur (1893-1953). Tot zijn oeuvre behoren stations, scholen, ziekenhuizen, kantoorgebouwen en elektriciteitscentrales, maar ook het museum Boymans-Van Beuningen. Van der Steur, een van de meest productieve architecten van het Interbellum en de vroege Wederopbouw, was een meester in het inpassen van dit genre gebouwen in het stedelijk weefsel. Van der Steur werkte in een periode dat de architectuur gekenmerkt werd door turbulente ontwikkelingen en discussies. Een radicale groep vernieuwers pleitte ervoor af te zien van esthetische overwegingen en de bouwopgave als rationeel vraagstuk op te lossen. Anderen meenden dat traditie inherent was aan de bouwkunst en dat men architectonische archetypes niet zomaar los kon laten. Van der Steur wist aan deze tegenstelling te ontkomen door een andere benadering te kiezen. Zijn uitgangspunt was de onverbrekelijke eenheid van stedenbouw en architectuur. Het ging hem in de eerste plaats om een samenhangende en begrijpelijke omgeving, zowel binnen- als buitenshuis. Hij zag die omgeving als een coulissenlandschap, doorsneden door vergezichten en doorkijkjes, waarin de ontwerper door een goede afwisseling van harmonieÎn en tegenstellingen visueel aantrekkelijke beelden moest componeren. Van der Steur hanteerde hierbij een soort `praktische esthetiek’, die zich kenmerkte door de zorgvuldige geleding van grotere en kleinere bouwdelen, waarmee een gebouw zich in zijn omgeving moest voegen, een ondogmatische vermenging van traditionele en moderne vormelementen en een markante detaillering, m.n. in de vensters, die vaak ware voorbeelden van `timmermansbeeldhouwwerk’ zijn.


Van der Steur werkte vooral in Rotterdam, waar hij zich van architect in gemeentedienst tot stadsbouwmeester ontwikkelde en vervolgens een eigen bureau begon. De vele schoolgebouwen die hij in Rotterdam-Zuid bouwde, zijn steeds zorgvuldig vanuit de schaal van de omgeving naar een hoger schaalniveau opgebouwd en vormen een net van herkenningspunten in de wijken. Hetzelfde geldt voor het GEB-gebouw, destijds een van de hoogste van Rotterdam. De Art Deco ventilatiegebouwen en garages van het Maastunnelcomplex vormen opvallende sieraden temidden van het weg- en waterverkeer. Als esthetisch adviseur bij dit complex raakte Van der Steur overtuigd van de noodzaak van een tijdige integratie van technische en esthetische overwegingen. In Van der Steurs bureau zouden architecten samenwerken met civieltechnici en weg- en waterbouwkundigen. Na de Tweede Wereldoorlog zocht hij naar vormen die bij de nieuwe tijd pasten: hij het ontwerp voor de Rotterdamse Westland-Utrecht hypotheekbank bleef het betonskelet in zicht. Om voeling met de tijd te houden kregen jonge architecten veel armslag op zijn bureau, dat tot een van de grootste van Nederland uit zou groeien. In de gebouwen van Van der Steurs zelfgekozen opvolger A. Bodon is tot in de jaren ’80 de integratie van architectuur en techniek te zien, die Van der Steur zo na aan het hart lag.

Recent bekeken